Astrid zat in de achtertuin boven de greppel toen het gebeurde. Ze had twee dagen vol angst naast het bed van Kleine Pete doorgebracht.
Maar zelfs al was ze uitgedroogd, uiteindelijk moest ze toch. Ze had gehoopt dat het veilig zou zijn. Ze had gehoopt dat ze zou zien hoe Alberts mensen water en eten bezorgden en dat de epidemie weer achter de rug zou zijn.
Maar de straten waren verlaten. Ze hoorde geen vrachtauto’s in de verte, niet eens de piepende wielen van met de hand getrokken wagens.
Dus deed ze haar behoefte boven de greppel in de tuin en bleef bidden zoals ze bijna voortdurend deed.
Woooeeesj-kraaak!
De hele bovenverdieping van het huis ontplofte.
Er was geen vuur. Geen vlammen.
De bovenste verdieping – de dakpannen, de gevelplaten, de muren, het hout, alles – knalde haast geruisloos uit elkaar. Er vloog een groot brokstuk over haar hoofd dat rode dakpannen in het rond strooide terwijl het rondwentelde en met een enorme dreun tegen de muur van het huis van de buren terechtkwam.
Ze zag een raam, met het glas er op de een of andere manier nog in, als een raket omhoogschieten. Ze volgde het met haar ogen, wachtte tot het weer naar beneden zou tollen. Het belandde in de takken van een boom en toen viel het eindelijk aan diggelen.
Het bed uit haar eigen slaapkamer stond op een dak twee huizen verderop. Lakens en kleren dwarrelden als confetti naar beneden. Het was bijna feestelijk, alsof iemand een vuurpijl de lucht in had geschoten en ze nu oeh en aah kon roepen terwijl de vonken neerdaalden.
Maar geen vuur. Geen harde knal. Het ene moment was het nog een huis met een verdieping geweest en nu had het alleen nog een begane grond.
Een van Astrids kniekousen uit haar dressoir kwam op het gras terecht, half op de rand van de greppel.
Astrid wist weer hoe ze moest bewegen. Ze rende naar het huis en gilde: ‘Petey! Petey!’
De achterdeur werd deels versperd door een stuk gevelplaat. Ze duwde het opzij en rende door de keuken de met puin bezaaide trap op.
Toen pas drong het tot haar door hoe bizar dit was. De reling van de trap hield op toen ze boven was. De treden zelf eindigden met een half versplinterd stootbord.
Astrid stapte op wat nu een dakterras was in plaats van de eerste verdieping van een huis. Alles was weg. Alles. Alsof er een reus met een mes was langsgekomen die gewoon de bovenkant eraf had gesneden, dwars door muren en pijpen en elektriciteitsleidingen heen.
Het enige wat nog was overgebleven was het bed van Pete. En Kleine Pete zelf.
Hij hoestte twee keer. Hij likte zijn lippen af. Zijn ogen staarden wezenloos omhoog naar de blote hemel.
Astrid volgde zijn blik. En daar, in de blauwe ochtendlucht, hing een grijs wattenwolkje. Precies boven het huis.
Brianna was laaiend. Ze was wel vaker laaiend, maar nu ziedde ze nog steeds van woede vanwege het gevecht met Drake en het feit dat Jack zomaar de stad uit was gegaan zonder het tegen haar te zeggen, zodat ze het van Taylor had moeten horen.
Ze mocht Taylor niet. Ze had een keer geopperd dat Taylor een coole naam voor zichzelf moest bedenken, zoals Brianna nu ‘de Wind’ heette. ‘De Teleporteur’ misschien. Taylor had haar uitgelachen.
Brianna mocht eigenlijk niet buiten zijn. De quarantaine gold nog steeds. Maar ze had dorst, ze had honger, ze voelde zich vernederd en ze was woedend, en ze had zin om heisa te schoppen.
Of in elk geval in een slokje water.
Ze zou nog een paar minuten afwachten en dan zou ze zelf naar Lake Evian rennen om wat te drinken te halen. Taylor zei dat het een gevaarlijke route was, dat de groenerds daar zaten. Maar Brianna was niet bang voor vliegende slangen. Zelfs niet voor vliegende slangen die insecteneitjes uitpisten, of waar dat hele verhaal ook op mocht slaan. Ze was te snel voor die stomme slangen, of ze nu vlogen of kropen.
Iemand had een raam van het stadhuis dichtgespijkerd met triplex.
‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg ze zich hardop af.
Ze haalde haar schouders op en maakte zich klaar om te rennen toen ze geknaag hoorde. Een heleboel geknaag dat in rap tempo harder werd. En het kwam door dat raam dat…
Aan de onderkant van het triplex werden splinters naar buiten geduwd. Ze werden geduwd door iets zilverachtigs wat tamelijk snel bewoog.
Brianna bleef een paar seconden staan kijken en toen wurmden opeens een heel stel insecten, met glimmende pantsers en stuk voor stuk zo groot als een klein hondje, zich een weg door de plaat.
De eerste die naar buiten kwam spreidde zijn keverachtige vleugels en zweefde naar de grond.
Brianna had tijd zat om zijn malende kaken en voelsprieten te bekijken, en om ijskoude rillingen te krijgen van de robijnrode ogen.
Ze kon wel raden wat dit waren. Dit waren de dingen waardoor Taylor zo was geflipt. De dingen die schijnbaar uit Hunters buik waren gekropen. Maar nu waren ze hier voor haar neus en kropen ze achter elkaar uit de muur van de eerste verdieping van het stadhuis.
Zodra het eerste beest op de grond terechtkwam viel het Brianna aan. Ze ontweek het door als een stierenvechter een pas opzij te doen.
‘Je bent snel, ik kan niet anders zeggen,’ zei Brianna. ‘Maar niet zo snel als de Wind.’
De hele zwerm stortte zich in één keer op haar; de vlijmscherpe kaken kliefden en de bekken maalden en de rode ogen vlamden.
Dit leek er meer op. Ze kon natuurlijk gewoon wegzoeven, maar ze genoot van het spel.
Tot Edilio schreeuwend kwam aanrennen terwijl hij zijn automatische geweer van zijn rug haalde.
‘Ach, nou ja,’ zei Brianna. ‘Mooi geweest, geloof ik.’
Ze trok haar grote mes en sneed de voelspriet van het dichtstbijzijnde insect eraf. Toen, gewoon voor de show, omdat het zo’n coole beweging was, maakte ze een salto en belandde bijna boven op een ander insect. Ze prikte ernaar en richtte op de plek tussen de twee hard uitziende vleugels. Haar mes raakte de vleugel en ging er niet doorheen.
Het beest draaide zich snel om – heel snel. Maar niet snel genoeg. Brianna stak recht naar een van de bloedrode ogen en het lemmet zakte er diep in weg.
Het beest bewoog niet meer.
‘Geen gemier met de Wind,’ zei Brianna.
Edilio was er bijna en Brianna wist zeker dat hij haar lol zou bederven. Daarom wachtte ze de aanval van een tweede insect af, ging diep door haar knieën, haalde uit met haar mes en sneed zijn twee voorpoten eraf. Het beest viel recht op zijn horrorfilmachtige kop.
bam! bam!
Edilio schoot op een beest dat er duidelijk genoeg van had en op de vlucht sloeg voor de Wind.
Brianna zag hoe de kogels het dier raakten. En hoe ze afketsten op de harde vleugels.
‘In de kop!’ gilde ze tegen Edilio. ‘Je moet ze in hun kop raken!’
Ter illustratie wilde ze naar het beest wijzen dat ze net gedood had. Maar het dode insect bewoog.
Net als het beest waarvan ze de voorpoten had verwijderd.
Met een frons trok ze haar eigen jachtgeweer. Ze rende naar het gewonde dier, zette de loop recht tussen zijn enge ogen en haalde de trekker over.
Het grootste gedeelte van de kop werd kapotgeblazen. Donkergroene hersenpulp spatte in het rond.
Het beest schudde zich uit als een natte hond. En liep verder.
‘Nee, nee, nee,’ zei Brianna. ‘Van Drake heb ik misschien verloren, maar ik verlies niet van een stel bloeddoorlopen kakkerlakken.’
bam! bam!
Edilio beschoot zijn insect nog twee keer. Toen hij Brianna zag aarzelen, schreeuwde hij: ‘Probeer ze te pletten!’
‘Waarmee?’
Radeloos keek Edilio om zich heen. ‘Weet ik niet.’
‘Ze gaan ervandoor!’
De insecten, een stuk of vijf, lieten Brianna en Edilio verder met rust en schoten de straat door, weg van de stad.
‘Ze zijn te snel voor jou,’ zei Brianna.
Edilio keek alsof hij elk moment een toeval kon krijgen. Hij keek van het raam boven hem naar de wegrennende insecten en Brianna zou gezworen hebben dat hij op het punt stond zijn handen in de lucht te gooien en te zeggen: ‘Laat maar, ik ben weg!’
Maar hij beet op zijn tanden, haalde diep adem en zette zich zichtbaar schrap voor een beslissing waarvan hij wist dat het een verkeerde kon zijn. Misschien zelfs wel een fatale.
‘Wind,’ zei hij bars. ‘Luister naar me voor je ervandoor gaat. Ik wil dat je ze volgt, kijkt waar ze heen gaan. Maar dan hebben wij hier niemand meer die ons kan verdedigen. Orc is dronken, Sam, Dekka en Jack zijn de stad uit, kinderen vallen bij bosjes neer door de griep en Drake ligt misschien nog steeds op de loer.’ Hij wees naar haar. ‘Neem geen risico’s, doe het nou eens niet op jouw stomme, roekeloze manier en kom zo snel mogelijk terug, zodra je weet waar ze heen gaan.’
Brianna salueerde spottend – ze vond het niet erg dat hij haar stom noemde, zolang hij maar erkende dat ze dapper was – en ging er op een drafje vandoor in een ontspannen tempo van honderd kilometer per uur om de zwerm in te halen.
‘Geen zorgen, Edilio,’ riep ze over haar schouder. ‘De Wind krijgt die beesten er zo onder.’
Orc stond bijna droog. Mismoedig staarde hij naar de fles in zijn hand. Zou hij onderhand niet dood moeten wezen? Hoeveel drank was er nodig voor je dood neerviel?
Zijn hersenen kraakten om een oplossing te zoeken voor het probleem. Waarschijnlijk had hij nog wel een paar flessen thuis, als ze ondertussen niet gejat waren. Zo niet, dan had hij nog een andere optie, maar dat was een heel eind lopen en hij was absoluut niet in de stemming voor een heel eind lopen. Van een heel eind lopen zou hij weer nuchter worden.
Hij was onderweg naar huis om zijn geest weer onder te dompelen in drank toen hij zonder erbij na te denken langs het stopbord liep.
Er lag geen in elkaar gezakt lichaam meer onder.
Heel even dacht hij dat hij misschien verkeerd was gelopen. Of dat hij zich vergiste wat het lichaam betrof. Maar toen kwam er vaag weer iets boven van een ontmoeting met Howard, die beloofd had dat hij het wel zou oplossen.
Dus nu rotte het lijk van het jongetje ergens weg in een onbewoond huis. Waarschijnlijk niet het enige lijk dat ergens verstopt lag. Waarschijnlijk niet.
Orc nam een slok. Zijn lichaam en geest waren bibberig. Hij was gewend aan de drank, maar zelfs voor zijn doen had hij zijn lichaam er de vorige dag behoorlijk van langs gegeven. Zijn maag brandde. Zijn hoofd bonkte. Hij moest de aandrang onderdrukken om te rennen, rennen, rennen tot…
Tot wat?
Waarheen?
Ze zouden er op een gegeven moment toch wel achter komen. Dat hij dat jongetje een klap had gegeven, dat kleine jongetje dat nooit vervelend was geweest tegen Orc, en tegen andere mensen waarschijnlijk ook niet. Gewoon een ziek jochie.
Er was vast iemand die het had zien gebeuren, of een van de slimmeriken – Astrid of Albert of Edilio – zou het uitvogelen. En hij zou niet eens de kans krijgen om het uit te leggen. Ze zouden hem wegsturen om buiten de stad te gaan wonen, net zoals ze bij Hunter hadden gedaan.
Maar hij was Hunter niet. Hij kon daarbuiten niet overleven. Daar waar de coyotes waren.
Orc kon zich de coyotes nog goed herinneren. Hij wist nog hoe ze hun tanden in zijn levende buik hadden gezet en zijn ingewanden eruit gescheurd en getrokken hadden.
Toen was het begonnen. Toen was het verminkte vlees in grind veranderd en was de rotsachtige, kiezelachtige monsterhuid langzaam over zijn hele lijf gekropen.
Nee. Ze konden hem niet dwingen om buiten de stad te gaan wonen.
Maar Astrid hield zich aan bepaalde regels; zij had ze bedacht en dat zouden ze doen, ze zouden hem de stad uit sturen. Ga weg, Orc, ga weg en ga dood, vieze freak.
Ja, nou, in dit monster zat Charles Merriman. Hij was geen ork. Hij was Charles Merriman.
Hij moest met Astrid praten. Zij was altijd aardig tegen hem geweest. De enige die aardig tegen hem was geweest. Het waren haar stomme regels, dus zij zou wel iets bedenken. Ze was slim, tenslotte. En aardig.
En terwijl die vage gedachte in Orcs brein rondklotste, ging hij stampend op weg naar Astrids huis.
Twee straten verder viel hem iets raars op. Zo raar dat hij dacht dat hij het zich misschien inbeeldde. Want dit klopte niet, dat wist hij zeker.
Er hing een wolk. In de lucht. Terwijl hij met open mond omhoogkeek gleed de zon er langzaam achter.
Wolk. Donkere, grijze wolk.
Hij bleef lopen. Bleef drinken. Bleef naar die gekke wolk in de lucht kijken.
Hij liep Astrids straat in. Al van een afstand zag hij het puin dat in tuinen lag en over hekken en in bomen hing.
Toen zag hij het huis. Hij bleef stokstijf staan. De bovenkant van het huis was verdwenen.
En daar stond Astrid, helemaal bovenop, gewoon buiten omdat de muren helemaal weg waren, met dat debiele broertje van haar, dat nu, zeg maar, boven een bed in de lucht zweefde.
Orc staarde naar Astrid, maar ze zag hem niet. Ze keek naar de lucht, naar de wolk. Haar handen hingen langs haar zij. In één hand had ze een enorm uitziend pistool.
Een felle flits liet alles oplichten.
Nog geen drie meter verderop scheurde een boom kapot.
krr-aaak!
boooeeem!
Bliksem. Donder.
Houtsplinters en bladeren van de boom vlogen in het rond en daalden op Orc neer.
En plotseling leek de wolk uit de lucht te vallen, maar het was de wolk zelf niet, het was regen. Grijze stralen water die naar beneden kletterden.
Alsof je onder een koude douche stapte. De regen viel op Orcs verwonderde, naar boven gekeerde gezicht. Het water vormde poeltjes in zijn ogen, liep in stroompjes over zijn steengroevelijf naar beneden.
Astrid schreeuwde het uit, maar de woorden deden er niet toe. Orc hoorde de wanhoop, de angst. Ze was doorweekt en stond daar maar met haar grote pistool snikkend naar haar broertje te schreeuwen.
Orc deed zijn mond open en de regen gleed naar binnen. Schoon, zoet, koud als ijswater.